HET BRANDSPUITHUISJE IN ALTEVEER
Uit Mandiêlig (maart 2004)

Inleiding
Wie over Alteveer rijdt en in het dorp zijn blik over de bebouwing laat gaan, zal het wellicht opvallen dat direct naast
de inrit van expediteur Bork een stenen garage voor de bebouwing staat. Een ietwat prominente plaats voor een
klein, maar er keurig uitziend gebouwtje. Ondanks de nieuwerwetse cementpannen verraadt de bouwwijze toch wel
dat het tijdstip van totstandkoming al wat langer achter ons ligt. Het kleine gebouwtje heeft zelfs een eigen
huisnummer: Alteveer 33.
Oudere inwoners uit de streek zullen ongetwijfeld nog weten wat de functie van het gebouwtje was, aan welke
hoedanigheid nu goed vijftig jaar geleden een einde kwam. Een mooie gelegenheid hierop terug te zien.
Het begin
Bij brief van 24 maart 1921 verzocht het bestuur van de Vereniging ter bevordering van Plaatselijke Belangen
Alteveer-Kerkenveld aan de gemeenteraad van Zuidwolde nabij de school te Alteveer een brandspuit te plaatsen.
Het genoemde bestuur gaf daarbij aan Zuidwolde in overweging om zich in verbinding te stellen met buurgemeente
Hoogeveen, omdat het Hoogeveense gedeelte van Alteveer ook veel belang bij een brandspuit had.
Zuidwolde was er in eerste instantie gauw klaar mee. In de raadsvergadering van 19 april 1921 stelden
burgemeester en wethouders voor het verzoek aan te houden tot over deze zaak medewerking zou worden
gevraagd door het gemeentebestuur van Hoogeveen. Aldus besloot de gemeenteraad. Enig schriftelijk contact
hierover met Hoogeveen vond niet plaats.
Ruim een half jaar later, bij brief van 9 november 1921, berichtten burgemeester en wethouders van Hoogeveen aan
het college in Zuidwolde, dat bij de behandeling van de begroting voor 1922 de wenselijkheid was uitgesproken te
Alteveer een brandspuit te plaatsen. Ze vroegen of Zuidwolde bereid was deze spuit voor gezamenlijke rekening
aldaar te stationeren.
Het duurde vervolgens een goede maand eer de gemeenteraad van Zuidwolde zich uitsprak. En die was bereid op
nader te regelen wijze voor gezamenlijke rekening een brandspuit te Alteveer te plaatsen.
Zuidwolde vond als plaats van de spuit de hoek van Alteveer gewenst. En wat uit financieel oogpunt ook niet
onbelangrijk was, was dat Hoogeveen nog een goede gebruikte spuit bezat, die overgenomen zou kunnen worden.
Stapje voor stapje verder
De tijd schreed voort. Het was inmiddels al eind oktober van het jaar 1922. De dagelijkse besturen van Zuidwolde en
Hoogeveen hadden overleg gepleegd en het resultaat daarvan was dat er overeenstemming bestond over de
plaatsing van een brandspuit op Alteveer.
Dit verlangde vervolgens van de beide gemeenteraden het besluit tot het aanvragen van een machtiging aan
Gedeputeerde Staten van Drenthe om hiervoor een gemeenschappelijke regeling te mogen treffen. De besluiten
kwamen er en eer de maand november 1922 voorbij was, stemde 'Assen' hiermee in.
Ondertussen schreef onder dagtekening van 18 november 1922 het college van Zuidwolde aan dat van Hoogeveen
akkoord te gaan met het bedrag der geschatte waarde ad f 800,00 van de in Alteveer te plaatsen brandspuit. Dit was
een gebruikte handbrandspuit, vierwielig en geschikt voor paardentractie. Er moest met handkracht worden gepompt,
maar als er geen gelegenheid was om het water met behulp van een zuigbuis binnen te halen, kon er ook water met
emmers in worden geschept.
Hoogeveen werkte voortvarend verder aan de zaak. Al in januari 1923 was de bouwtekening, naar het ontwerp van
de Hoogeveense gemeente-architect J. Carmiggelt, met de kostenbegroting voor het brandspuithuisje gereed.
Zuidwolde stemde met het ontwerp in, maar vond dat alvorens met de bouw begonnen kon worden, het bouwterrein
in eigendom moest zijn verworven.
Ook de pers besteedde aandacht aan de dingen die komen zouden.
De krant van woensdag 17 januari 1923 berichtte onder Alteveer:
Voor enige tijd sprak men hier over een brandspuit, nu wordt ons medegedeeld dat de Burgemeesters van Hoogeveen en
Zuidwolde al hebben rond gezien om een huisje te plaatsen, waar de brandspuit geborgen kan worden.
Weer een half jaar verder werd de volgende formele stap gezet. Op 21 juni 1923 en 20 juli 1923 stelde de
gemeenteraad van Hoogeveen resp. die van Zuidwolde de volgende gemeenschappelijke regeling vast:
Artikel 1
Voor gezamenlijke rekening der gemeenten Hoogeveen en Zuidwolde zal teAlteveer een brandspuit geplaatst worden.
Artikel 2
De kosten van aankoop van de grond benodigd voor de stichting van een brandspuitenhuisje en van aankoop van de
brandspuit komen voor rekening van de gemeenten Hoogeveen en Zuidwolde, ieder voor de helft.
Artikel 3
De exploitatiekosten van de brandspuit zullen jaarlijks door de gemeenten Hoogeveen en Zuidwolde betaald worden,
ieder voor de helft.
Artikel 4
De kosten van bepaalde branden zullen gedragen worden, wanneer de brand plaats vindt op grondgebied der gemeente
Hoogeveen door Hoogeveen en wanneer de brand plaats heeft op het grondgebied der gemeente Zuidwolde, door Zuidwolde.
Artikel 5
Het personeel der brandspuit wordt benoemd voor zover het ingezetenen betreft der gemeente Hoogeveen, door
burgemeester en wethouders van Hoogeveen en voor zover het ingezetenen betreft der gemeente Zuidwolde, door
burgemeester en wethouders van Zuidwolde. Behoudens het bepaalde bij artikel 189 der Gemeentewet staat het personeel
onder de bevelen van de opperbrandmeester te Hoogeveen.
Artikel 6
Deze regeling kan te allen tijde door een der partijen schriftelijk worden ontbonden. In dit geval worden de brandspuit,
het brandspuitenhuisje en de grond, welke voorde stichting van dit huisje is aangekocht, in het openbaar verkocht en wordt
de netto-opbrengst gelijkelijk tussen de gemeenten Hoogeveen en Zuidwolde verdeeld.
Onder gelijke dagtekening werd aangekocht van de Gereformeerde Kerk te Alteveer (Hoogeveen) de noordoostelijke
hoek van het kadastrale perceel der gemeente Hoogeveen sectie N no. 2508 ter grootte van 92 m2, zoals deze hoek
op het terrein was afgebakend, voor een koopsom van f 92,00.
De bouw van het huisje
Eind augustus 1923 berichtten burgemeester en wethouders van Hoogeveen, dat op de 28e van die maand de bouw
van het brandspuithuisje te Alteveer was aanbesteed. De laagste inschrijvers waren Jb. Kats en A.J. Slot, aannemers
te Hoogeveen, voor een som van f 591,00 en aan hen was de uitvoering opgedragen.
Twee maanden later was het huisje gereed.
Het eerste personeel
Vanuit Hoogeveen kwam het verzoek aan Zuidwolde om conform de regeling het personeel uit de eigen gemeente te
benoemen. Voor Alteveer was ongeveer veertig man nodig. Dat aantal vond Zuidwolde al te gortig. Als zo'n groot
bestand nodig was voor het bedienen van het spuitje, dan was dit spuitje naar haar oordeel voor de buurtschap niet
doelmatig. Het spuitje in het dorp Zuidwolde kon dienst doen met één spuitgast en tien personen.
In december benoemde Zuidwolde een personeelsploeg van 24 man (te weten: twee brandmeesters, twee
pijpgassten, twee opzichtersschoonmakers voor het spuitje en achttien spuitgasten). Hoogeveen kwam een half jaar
later tot een eigen ploeg van 26 man.
De kostenafrekening
Zo halverwege maart 1924 stuurde Hoogeveen de declaratie van de gemaakte kosten. Zuidwolde reageerde hierop
door alsnog twijfel uit te spreken over de getaxeerde waarde ad f 800,00 van de handspuit (waarmee d.d. 18
november 1922 akkoord was gegaan!). Het pissige antwoord uit Hoogeveen was te verwachten. Die gemeente hield
zich aan de gemaakte afspraak. Wanneer Zuidwolde hierop wilde terugkomen, zouden hiervoor al zeer bijzondere
motieven moeten worden aangevoerd. Hoogeveen dreigde zelfs aan de gesloten overeenkomst een eind te maken.
Zover liet Zuidwolde het niet komen. Na overleg voldeed ze de ontvangen declaratie.
De gemaakte kosten bedroegen voor:
| - | het brandspuithuisje: de aanbestedingssom ad f 591, | ||
| plus de kosten voor lichtdrukken, bestekken, | |||
| aanbestedingsadvertenties en zegelkosten, | f. | 624,40 |
|
| - | de spuit, tegen getaxeerde waarde | f. |
800,00 |
| - | aankoop grond, incl. notariskosten | f. | 107,00 |
| - | hekwerken | f. | 148,40 |
| TOTAAL | f. | 1.679,80 |
waarvan voor beide gemeenten ieder de helft of f 839,40 kwam.
Nimmer gebruikt
Er werden kennelijk geen oefeningen gehouden en er hoefde evenmin tegen brand te worden opgetreden.
Een paar jaar na de ingebruikname hing een deel van de brandslangen verstaft aan de muur. Hierin werd voorzien.
Op zaterdag 1 november 1930 stond onder 'Alteveer' in de Hoogeveensche Courant het volgende bericht met als kop
'Bij brand staat onze bevolking machteloos':
We hebben ter plaatse een goede brandspuit, doch deze wordt nimmer gebruikt. Zou het niet raadzaam wezen, dat deze
eens werd nagezien, voordat de leidingen stuk zijn en in het geval dat er brand mocht komen, wij hiermede gereed zijn.
Een gewijzigde regeling
Als gevolg van nieuwe wetgeving moesten alle gemeenschappelijke regelingen tussen gemeenten voor 1 januari
1940 in overeenstemming worden gebracht met de gewijzigde voorschriften van de gemeentewet. De beide
gemeenteraden voldeden hieraan op 14/15 december 1939. Inhoudelijk betekende dit geen wijziging van de regeling.
Een nieuwe motorspuit
In 1941 werd door de bezetter de eenhoofdige leiding van onder meer de gemeenten ingevoerd. Per 1 september
van dat jaar werd de gemeenteraad op non-actief gesteld. De burgemeester werd met alle bestuurstaken belast.
De wethouders bleven, maar werden formeel teruggesteld tot medewerkers van de burgemeester.
Tijdens de oorlog werd de samenwerking op het gebied van de brandweer tot rijkstaak gemaakt. Er kwamen
allerhande nieuwe voorschriften, regelende de samenwerking van brandweren ten aanzien van de hulpverlening.
Bovendien werden de gemeenten Hoogeveen en Zuidwolde uitdrukkelijk aangewezen om elkaar in geval van brand
zo nodig hulp te verlenen.
Burgemeester Tjalma van Hoogeveen kwam het hierop overbodig voor - waar de verplichting tot wederzijdse
steunverlening ten aanzien van al het beschikbare materieel onbeperkt bestond - de gemeenschappelijke regeling
voor Alteveer, die slechts voor één spuit gold, nog langer in stand te houden. Hij deelde 11 mei 1943 dan ook aan zijn
ambtgenoot in Zuidwolde mee, dat het in zijn voornemen lag de regeling tegen 1 september 1943 op te zeggen.
De burgemeester van Zuidwolde stemde hier niet mee in. Hij vond de hand brandspuit in goede conditie en die kon
goede diensten verrichten bij nablussing, hooibroei en ten behoeve van de luchtbeschermingsdienst. Naar zijn mening
was met de opheffing van de regeling geen enkel belang gediend en hij kon zich met het Hoogeveense voornemen
dan ook niet verenigen.
Als reactie hierop kwam vanuit Hoogeveen de mededeling, dat de bewoners van Alteveer-Hoogeveen verzocht
hadden aldaar een motorbrandspuit te stationeren, omdat de aanwezige brandspuit niet aan redelijke eisen voldeed,
terwijl vanuit Alteveer wegens gebrek aan telefonische verbinding een verzoek om hulp niet tijdig kon worden
gedaan. Mede omdat alle andere dorpen in de gemeente Hoogeveen de beschikking hadden over een
motorbrandspuit, vond de Hoogeveense burgemeester het noodzakelijk en billijk om Alteveer niet langer achter te
stellen. En die zienswijze werd gedeeld door de Rijksinspectie van de brandweer. Hoogeveen had al een offerte voor
een motorspuit met toebehoren en, zo liet de burgemeester weten, was het zijn bedoeling de betaling hiervan voor
rekening van Hoogeveen te nemen.
Ook dit bracht burgemeester Udema van Zuidwolde niet van zijn stuk; de nadere motieven betekenden voor hem niet
dat opheffing van de regeling nodig was. Als het blusmaterieel niet meer aan de eisen voldeed, dan was zijns inziens
te overwegen daarin voor rekening van beide gemeenten te voorzien door aanschaffing van een motorspuit, die voor
de streek Alteveer-Kerkenveld geschikt was. Wat hij met dit laatste bedoelde bleek uit zijn brief aan de
Brandweerinspectie, waarin hij erop wees dat Alteveer met tal van wijken was doorsneden en het vervoer van een
brandspuit in geval van brand grote problemen zou opleveren. Een hand brandspuit kon zonder bezwaar per bok
worden vervoerd.
Ondertussen was de burgemeester van Hoogeveen met de voorbereidingen verder gegaan. Eind september 1943
berichtte deze, dat hij met machtiging van de Commissaris van Drenthe een bedrag van f 4.500,00 beschikbaar had
gekregen en inmiddels een motorbrandspuit bij de Gebroeders van Bergen te Heiligerlee had besteld. Hij ging ervan
uit dat Zuidwolde na de gedane toezegging in de kosten van de spuit en de 500 meter aan slangen voor de helft zou
bijdragen.
Op woensdag 1 december 1943 's middags 3 uur werd de motorspuit K.V., fabr. Van Bergen, Heiligerlee, bouwjaar
1942, met een gereviseerde Ford Junior motor (viercilinder) van 34 PK., afgeleverd. De pomp had een capaciteit van
1500 liter/minuut bij 40 meter opvoerhoogte. Zo nodig kon met vijf stralen tegelijk worden gewerkt. Deze apparatuur
was afneembaar gebouwd op een houten onderstel, verder bestaande uit twee houten wielen met ijzeren velgen,
voorzien van veren, een slangen haspel en een ijzeren trekstok, zodat het geheel met de hand of achter iedere auto
getrokken kon worden. De totale breedte bedroeg 105 cm. De spuit werd op de dag van de aflevering geprobeerd,
maar bleek bij die demonstratie defect te zijn.
De aanvankelijk geraamde kosten bleken hoger uit te vallen. Het aandeel van beide gemeenten bedroeg de helft van
de aanschafkosten, ofwel ieder f 2.711,46.
Door de burgemeester van Hoogeveen werd de personenauto van Klaas Westerbeek te Alteveer aangewezen voor
vordering ten behoeve van de brandweer. Deze personenauto van het merk Plymouth moest dus dienst doen als
trekker van het motorspuitje.
Zo bleef de auto in handen van de eigenaar, die overigens ook een functie bij de brandweerploeg had.
Personeel
Na de aanschaffing en indienststelling van de nieuwe motorspuit konden de pompers van de oude spuit ontslagen
worden, maar was een technische man nodig en die was ter plaatse in de persoon van Klaas Westerbeek aanwezig.
Zo bestond op 1 december 1943 de personeelsbezetting bij de motorspuit uit de brandmeesters H. Neutel en
J. Schonewille, de motordrijver/pompbediener K. Westerbeek en de brandwachten B. Benjamins, G. Bouwmeester,
H. van Goor, H. Koekoek, H. Sieders, HJ. Schonewille en Jan Schonewille jr. De stoker van het brandspuithuisje was
J. Scholten.
Het einde van de regeling
Bij brief van 30 augustus 1950 deelden burgemeester en wethouders van Hoogeveen aan hun collega's in Zuidwolde
mee, dat ze de getroffen regeling wilden beëindigen.
Het ontbreken van een telefonische verbinding met de buurtschap Alteveer was steeds een belemmering geweest
voor een doeltreffende organisatie van de brandweer in dat gebied. Aan deze toestand zou gauw een einde komen
omdat het telefoonnet tot Alteveer werd uitgebreid en dan kon worden overgegaan tot het plaatsen van een
meldingspost. De mogelijkheid van een vlugge directe melding bracht met zich mee, dat de brandweer uit Hoogeveen
spoedig op de plaats des onheils aanwezig kon zijn.
Burgemeester en wethouders van Zuidwolde stemden in met het stoppen van de regeling. Zij verzochten evenwel
daarmee nog even te wachten. Op dat moment was de Oosterweg opgebroken en die moest nog van een nieuw
wegdek worden voorzien. Hoogeveen stemde met het gevraagde uitstel in.
Een jaar later kwamen beide gemeentebesturen overeen om op 1 november 1951 de regeling vervallen te verklaren.
In de maand oktober van dat jaar namen de beide gemeenteraden het formele besluit daartoe. De brandweren van
beide gemeenten waren zodanig uitgerust dat ieder zijn eigen deel van Alteveer kon verzorgen. Bovendien waren
Alteveer en Kerkenveld sedert kort op het telefoonnet aangesloten, waardoor na telefonische brandmelding de
autobrandspuit in een minimum van tijd op de plaats van de brand kon zijn.
Financiële afwikkeling
Het gemeenschappelijke bezit, bestaande uit de motorspuit van het bouwjaar 1942, het slangenmateriaal en het
brandspuithuisje, kon te gelde worden gemaakt.
De inspecteur voor het Brandweerwezen taxeerde de motorbrandspuit op een waarde van f 950,00 en de slangen op
f 470,00, samen f 1 420,00. De gemeente Hoogeveen nam deze spullen tegen taxatiewaarde over.
Het brandspuithuisje met de ondergrond werd in 1952 bij inschrijving verkocht. Jan Fieten uit Kerkenveld schreef het
hoogst in en wel voor een bedrag van f 308,00. Hij werd de nieuwe eigenaar.
De totale opbrengst kwam pondspondsgewijze aan beide gemeenten ten goede.
Tot slot
In 1923 kwamen de gemeenten Hoogeveen en Zuidwolde overeen een regeling te treffen, die beoogde te voorzien in
een doelmatige bestrijding van branden in de buurtschap Alteveer door aldaar voor gezamenlijke rekening een
brandspuit te exploiteren. Na ruim 28 jaren kwam een eind aan deze regeling. De brandspuit en de brandweerploeg
zijn weg, maar na 80 jaar staat het kleine brandspuithuisje van Alteveer nog fier overeind.
Het gebouwtje behoort thans aan de familie Bork, die het nodige onderhoud aan het dak en de deuren heeft verricht.